U bent hierPEDAGOGIE / Lager
Lager
.jpg)
Met de lagere school begint de periode waarop het gerichte leren aanvangt. De leerlingen worden niet benaderd als wetenschappertjes in spe die we de wereld doen ontdekken volgens de principes van de natuurwetenschap. De kleuter die de wereld ontdekt en leert door na te bootsen, geeft in zijn spel (dat vaak ook neerkomt op nabootsing en naspelen) op een eigen wijze zin en betekenis aan de dingen, op een wijze die de hele mens aanspreekt en vervult.
Datgene wat we het kind over de wereld kunnen leren, de cultuurtechnieken die het kind moet leren om zelfstandig in de wereld een weg te kunnen vinden (lezen, schrijven, rekenen ...), kan het kind nog niet ten volle zelf zin en betekenis verlenen. Het kind wil vooral met zijn gevoel bij de dingen komen. Dat lukt niet als we deze zaken aanbrengen door vooral het intellect aan te spreken.
In de lagere school is de leraar de opvoeder en de bemiddelaar tussen het kind en de wereld. Het kind heeft behoefte aan een persoon die in de wereld staat en van de wereld weet. De opvoeder is in deze zin autoriteit. Hij speelt de rol van een bemiddelaar die de wereld verbeeldend aanreikt, doordrongen van een zin en betekenis die door het gevoel van het kind gevat kan worden.
In principe gaat de leraar mee met zijn/haar klas gedurende de lagere school. De klasleraar geeft het hoofdonderwijs, de oefenuren, tekenen, schilderen...
Voor een aantal vakken is er een aparte vakleraar. Zo is er een turnleraar voor de lessen LO, een handwerkjuf, een muziekmeester en een leerkracht voor Frans. Vanaf de eerste klas krijgen de leerlingen ook onderricht in vreemde talen (Frans en Engels).